English (United Kingdom) Nederlands (NL-BE)
De Nederlandse aanpak van de crisis
Dinsdag 28 April 2009 09:34

Over de aanpak van de financiële en economische crisis in Nederland zijn vele observaties mogelijk. Ik ga in op twee aspecten van de aanpak en de relatie daartussen: het politiek handelen in onwetendheid en het herstel van de corporatistische politiek in Nederland.

Over de financiële en economische crisis bestaat veel onwetendheid. De kern van de crisis is dat wij niet precies weten wat er gebeurt. Daarom maken wij vergelijkingen met vorige crises die niet geheel kloppen en voeren wij beleid zoals wij dat uit het verleden kennen. We zijn onwetend, maar de politieke partijen kunnen zich niet veroorloven niets te doen. De bevolking roept om daadkracht en veroordeelt partijpolitiek gesteggel. De politiek intervenieert met miljarden zonder dat zij weet wat de effecten zijn. De kennis over de crisis neemt geleidelijk toe, maar heeft nog niet geleid tot heldere economische theorieën waarmee wij de gebeurtenissen kunnen verklaren en waarop wij beleid kunnen baseren.

De veronderstelling luidt dat de ellende is begonnen met de financiële crisis.  De banken hebben zich door de overgang van het “stakeholderskapitalisme”, naar het “shareholderskapitalisme” moeten transformeren van stabiele organisaties naar risicovolle instituties. De waarde van het aandeel en de belangen van de aandeelhouders kwamen centraal te staan. De korte termijn belangen werden belangrijker dan de lange termijn perspectieven. De aandeelhouder kwam op de troon te zitten en de klant werd verwaarloosd. Amerikaanse banken namen steeds meer risico’s, sloten slechte hypotheken af en verkochten deze door. Deze slechte hypotheken vergiftigden de balans van de gezonde banken. Het nemen van risico’s werd met het uitkeren van forse bonussen nog eens in de hand gewerkt. Op dit moment wordt van bankiers verwacht dat zij excuses maken. Deze voorstelling van zaken is iets te simpel. De riskante manier van werken door banken werd namelijk mede mogelijk gemaakt door de overheid. De banken kregen vrij spel omdat politici vanaf de jaren tachtig van de 20e eeuw drie uitgangspunten hadden: een terugtredende overheid, deregulering van de financiële markten en een sterk geloof in de werking van de vrije markt. Deze drie principes worden wel aangeduid als het leerstuk van het economische neoliberalisme. De ontwikkelingen werden nog eens gestimuleerd door de globalisering van de economie en gestimuleerd door de ICT-technologie. De kern van de globalisering is dat alle economieën met elkaar verstrengeld zijn. Zo kon de crisis zich als een pandemie over de wereld verspreiden.

Vanwege de onwetendheid over de crisis herstelt het Vierde kabinet Balkenende de neocorporatistische politiek uit het verleden. Het kabinet ontkende aanvankelijk de crisis. Dat is verklaarbaar omdat het om een vertrouwenscrisis gaat. Dan is het niet verstandig dat bankpresident Wellink of de minister van Financiën Bos op de televisie verschijnen en roepen: “Nou mensen, gordels om, het gaat helemaal mis!”

Het kabinet heeft veel tijd genomen tot maatregelen te komen en verloor zich aanvankelijk in partijpolitiek gesteggel. Het kabinet koos, zonder het expliciet te maken, bij de aanpak van de crisis voor een neocorporatistische oplossing. Dat betekent dat de overheid in samenwerking met beroepsgroepen (“corpora”) tot oplossingen tracht te komen. Binnen het neocorporatisme vindt er samenwerking plaats tussen het kabinet en de sociale partners: werkgevers en werknemers. Het wordt ook wel het harmoniemodel, de overlegeconomie of de polder genoemd. Het is opvallend, na alle verhalen over veranderingen in de Nederlandse politiek, dat het oude harmoniemodel zich tijdens de crisis onmiddellijk herstelde. Balkenende, Bos en Rouvoet kiezen net als Lubbers en Kok voor overleg met het maatschappelijk middenveld om draagvlak te verkrijgen en Franse toestanden te voorkomen. Daar worden werkgevers met eieren bekogeld en zelfs twee dagen gegijzeld. Met het harmoniemodel kan sociaal kapitaal worden gegenereerd en wordt het Rijnlandse model in ere hersteld.

De gevolgen van het neocorporatisme zijn echter dat de parlementaire politiek zich beperkt tot de coalitiepartijen (het monisme) en dat het draagvlak bij de maatschappelijke organisaties belangrijker wordt gevonden dan de instemming van het gehele parlement. Het is dus verklaarbaar dat de gehele oppositie, van links tot rechts, het werk van het kabinet afdoet als broddelwerk. Volgens Wilders was het “drie keer niks”. De volgende dag verliet hij met zijn fractie de Tweede Kamer. Monisme en neocorporatische politiek betekenen namelijk dat sommige groepen aan het besluitvormingsproces mogen meedoen en worden gehoord, maar dat anderen – de oppositiepartijen en single issue bewegingen – worden buitengesloten. De parlementaire behandeling is slechts nog symbolisch. Het kabinet gaat zelfs nog een stap verder. Met de maatschappelijke organisaties wordt afgesproken pas in 2011 te bezuinigen. Bewust of onbewust zal de zware erfenis van Balkenende IV, die wettelijk wordt vastgelegd, de speelruimte van een nieuw kabinet ernstig beperken. Hoewel de samenstellende partijen ongetwijfeld afzonderlijk de verkiezingen in zullen gaan lijkt het erop dat een voortzetting van de Sociaal Christelijke Coalitie een van de mogelijkheden van het politieke midden is, terwijl ook gematigde partijen zoals Groen Links, D66 en VVD kunnen toetreden. De SP zal echter veel meer moeite moeten doen om door het gematigde midden te worden opgenomen en de PVV wordt bij voorbaat buitengesloten. 

Het herstel van de corporatistische politiek is naar mijn mening een gevolg van de onwetendheid over de crisis. Omdat de regering twijfelt over de effecten van de overheidsinterventies heeft zij het vertrouwen van de sociale partners nodig. Als dat verkregen is zal het economische neoliberalisme in omgeerde zin moeten worden geïnterpreteerd: we hebben een optredende overheid nodig, streng toezicht op de private sector en het inzicht dat het marktmechanisme feilbaar is.

Publicatiedatum: maart 2009
Bron: Trouw