| Recensie door Martin Sommer: Bezint eer gij begint |
| Woensdag 20 Januari 2010 10:31 |
|
Wat vinden we van de huisvrouw die een antiprik-actie organiseerde in verband met nanochips in het griepvaccin? Niet goed wijs, zullen de meesten zeggen. De internauten die na de aanslagen van 11 september hadden ontdekt dat de Joden die in het WTC-gebouw werkten allemaal een dagje vrijaf hadden? Ook geestelijk niet in de haak. De schrijver Leon de Winter en het klimaat dat volgens hem niet opwarmt? Wat heeft die er nou verstand van. Nu iets moeilijker. De protesterende buurtbewoners langs de Noordzuidlijn in Amsterdam, die na jaren dovemansoren meer gelijk kregen dan hun lief was? De ingenieur Bos die tegen de klippen op argumenteerde voor zijn ‘Bos-variant’ van de Hoge Snelheids Lijn die achteraf inderdaad aanzienlijk goedkoper bleek én beter paste in het Zuid-Hollandse landschap? De eenzame pedagoog Imelman wiens rapport tegen het studiehuis diep in een departementale la verdween? ‘Niet elk dwaallicht is een klokkenluider’, schrijven de voormalig wethouder Paul Bordewijk en bestuurskundige Jouke de Vries (beiden PvdA) in de inleiding van hun belangwekkende boek Rijdende treinen en gepasseerde stations. De grens tussen halve zolen, komplotdenkers en verstandige buitenstaanders is een heel dunne. Maar hoe scheid je de bokken van de schapen? Besturen is enorm ingewikkeld geworden en kan niet meer zonder externe deskundigheid. Burgemeester Cohen zei ‘wij zijn amateurs’ over de gang van zaken bij de Noordzuidlijn. Hij oogstte hoon, maar hij had gelijk en raakte de kern van het moderne bestuursprobleem: op wiens kompas moet je als minister, gedeputeerde of wethouder varen? Hoe voorkom je dat je aan de goden en vooral aan de bestuurlijke mode bent overgeleverd? Ga der maar aan staan, ben je geneigd te zeggen na lezing van deze artikelenbundel boordevol ‘beleidsfiasco’s’. Inderdaad, al die wethouders, gedeputeerden en ministers zouden bij aantreden dit boek cadeau moeten krijgen, in de hoop op een wat minder naïeve blik op de verhouding tussen politiek en expertise. Naarmate de complexiteit groter is, neemt de kans op tunnelvisie of groupthink toe. Kennis is niet bestuurlijk neutraal, maar steeds meer een onderdeel van de politiek zelf geworden. Dat noemen Bordewijk en De Vries met een duur woord een ‘beleidsparadigma’, het geheel van diepe overtuigingen, morele veronderstellingen, technieken en vaste gewoontes waarmee bestuursproblemen plegen te worden opgelost. Buiten zo’n paradigma is over het algemeen weinig heil en wordt tegenspraak al vlot opgevat als vervelende dwarsigheid, hindermacht of rancune. Critici bevinden zich ‘buiten de politieke realiteit’, zoals de auteurs aangeven. Wie Rijdende treinen en gepasseerde stations uit heeft, weet dat het met het lerend vermogen van de overheid niet best gesteld is. Tien politieke drama’s passeren de revue, van de politionele acties in Indonesië (1947) tot de kredietcrisis. Een hoofdcategorie vormen de grote infrastructurele werken, met onnodige bouwsels als de Bijlmer, de RijnGouwelijn of de Betuwelijn, vaak doorgedrukt op grond van andere belangen dan dat er serieus behoefte aan bestond, gecombineerd met de aandrang om te bewijzen dat er heus nog bestuurders met spierballen zijn. Een tweede categorie van beleidsfalen is meer typisch Nederlands, want verbonden met morele imperatieven. Nederland heeft nu eenmaal de neiging een ‘beter’ land respectievelijk gidsland te willen zijn. Morele zelfgenoegzaamheid speelde bij de zogeheten ‘ethische politiek’ in Indonesië, waardoor men zich in Den Haag niet kon voorstellen dat de Indonesiërs überhaupt zonder het moederland verder zouden willen, en leidde ook bij de besluitvorming over Srebrenica tot ernstige blikvernauwing. In het buitenland heeft Nederland de neiging structureel boven zijn gewicht te boksen – wij zijn namelijk geen klein land maar ‘middelgroot’. Precies op dat punt neemt de ontvankelijkheid voor tegenargumenten snel af. Wie het van zichzelf beter weet, zit niet te wachten op het jongetje dat roept over de kleren van de keizer. Het meest onthutsend wat dat aangaat is het artikel over het debacle van Maastricht in 1992, toen Nederland als EU voorzitter vrolijk afkoerste op een federaal Europa. Onderwijl werden door de betrokkenen, minister Van den Broek van Buitenlandse Zaken voorop, alle alarmsignalen genegeerd dat de grote landen als Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland daarop allerminst zaten te wachten. De belangrijkste criticus, de Nederlandse permanent vertegenwoordiger in Brussel Nieman, werd beschouwd als deloyaal en zo werden zijn waarschuwingen gemakkelijk terzijde geschoven. Onderliggende constante waardoor Nederland gevoeliger is voor bestuurlijk koekoek eenzang, is de traditie van consensus, conformisme en coalitie. Dat bespaart ons aan de ene kant de blunders van macho-leiderschap à la Berlusconi of Sarkozy. Daar staat tegenover dat coalitiebestuur evenmin erg goed samengaat met tegenspraak, zeker niet als die eenstemmigheid gegoten is in betonnen regeerakkoorden. Die trein rijdt immers al, en bezwaren zijn nu een gepasseerd station. Hoe verhoudt zich een en ander tot de geestestoestand van de ontevreden burger? Die voor de hand liggende vraag komt helaas niet aan de orde – daarmee had het boek aan urgentie kunnen winnen. Nu zijn te vaak de afzonderlijke thema’s langs de meetlat van de Amerikaanse psycholoog L. Janis gelegd, die in 1972 het standaardwerk Victims of groupthink schreef. Noch komt het tot een samenhangende theorie van de Nederlandse groepsdwang. Die wet zou je wel degelijk kunnen formuleren – een ernstig (verondersteld) probleem plus bestuurlijke zelfgenoegzaamheid plus convergentie van belangen (bijvoorbeeld goedkoopte van een oplossing, standbeelden voor politici, potjes die leeg moeten, bondgenoten in de samenleving) – deze bestuurlijke stoofschotel is een recept voor een geslaagde tunnelvisie. Meer voorbeelden zijn te vinden in het jaarboek van de Wiardi Beckman Stichting van de PvdA onder de titel Lokale politiek als laboratorium, waarin genoemde Paul Bordewijk en Jouke de Vries ook figureren. Opvallend is hoe wat afstandelijker beschouwers de kritiek op het opgeblazen (lokale) bestuur niet schuwen. Zij het dat de samenstellers met de moed der wanhoop op gemeenteniveau een nieuwe sociaal-democratische dadendrang zien ontstaan, die wordt verbonden met de grote voorgangers als Wibaut en Drees. Komen eenmaal de échte bestuurders aan het woord, dan vliegen je de riskante filosofietjes om de oren over globalisering en hoe het openbaar bestuur moet voorkomen dat de stad achterblijft. ‘Naast het lokale moet de mondialisering voelbaar zijn in de stad’, schrijft Ruud Vreeman. Inmiddels is hij gesneefd als burgemeester van Tilburg, en ik zou denken dat de modale Tilburger helemaal niet op die mondialisering van Vreeman zat te wachten. Carolien Gehrels, PvdA-wethouder in Amsterdam, vindt ‘de kern van de nieuwe stadspolitiek dat de stad in het nieuwe internationale speelveld positie kiest en de mensen bindt en uitdaagt’. Je houdt je hart vast, vooral omdat deze wolkenridders niet geremd worden door de wankele legitimiteit waarop het gemeentebestuur tegenwoordig kan bogen – zeker dat van Amsterdam. Wat dacht u van een wat bescheidener openbaar bestuur in plaats van al die wankel onderbouwde ambities? Juist op dat punt zijn politieke spierballen nodig – nee zeggen tegen beleidsdrift is een grotere kunst dan meezingen hoe goed Singapore het doet en dat wij ook in die richting moeten. Zullen we bijvoorbeeld eens wat minder dan honderd jaar vooruit plannen, in het waterbeheer of de infrastructuur? Een mespuntje minder gidsland kan trouwens ook nog altijd geen kwaad – minister Cramer argumenteerde laatst in ernst dat Nederland verder moet met CO2-beperking omdat we ons toch niet links door Amerika kunnen laten inhalen. Bezint eer ge begint, schreef NRC Handelsblad-columnist Heldring toen het besluit moest worden genomen om naar Srebrenica te gaan. Laten we inderdaad eens ergens beginnen. Aan de rand van Utrecht staat nog altijd een wolkenkrabber van Dubaiformaat op de nominatie te worden gebouwd. Zullen we die krankjoreme Belle van Zuylentoren als eerste goede daad in 2010 de nek omdraaien? |
