woensdag 21 december 2016

Een tsunami van populisten


Boekbespreking: Jan-Werner Müller (2016), Was ist Populismus? Ein Essay, Berlin, Suhrkamp
De wereld wordt geconfronteerd met een tsunami aan populisten, om maar eens een populaire uitdrukking van Geert Wilders te parafraseren. Maar wat is precies populisme? Dat is het onderwerp van een essay van de in de VS wonende Duitse politicoloog Jan-Werner Müller.

Jan Werner Müller
De voorkant van het boek van Müller  laat een kwartetspel van populisten zien. Als ik Marine Le Pen, Beppe Grillo en Hugo Chavez heb, mag ik dan van jou: Donald Trump, Geert Wilders en Viktor Orban?

Het boek bestaat uit drie delen: deel 1 de theorie, deel 2 de praktijk en deel 3 de omgang met populisten. Müller is goed geïnformeerd, ook over de situatie in Nederland. Geert Wilders en de PVV worden in het essay dikwijls genoemd. Ik zal dat in deze bespreking ook doen en soms de Nederlandse voorbeelden uitbreiden, aanvullen of bekritiseren.

Theorie
Het begrip populisme is  volgens Müller verre van eenvoudig, omdat het geen neutrale term is. Iedereen dient te beseffen dat het etiket populist in de politieke strijd van “blaming” en “framing” meteen wordt gebruikt om een uitdager van de zittende macht als onbekwaam weg te zetten.    De begrippen populisme en populist hebben  een negatieve connotatie.  Het populisme kan echter ook een positieve correctie inhouden van de bestaande democratie. Het populisme is in de eerste plaats anti-elitair. Maar dat is niet voldoende, om van populisme te kunnen spreken.  Niet iedereen die tegen de elites is, kan een populist worden genoemd.  Het populisme is in de tweede plaats, en dat is belangrijker, anti-pluralistisch. Het keert zich tegen het bestaan van diverse waarden in een pluralistische liberale democratie. De bekende uitspraak “Wir sind das Volk”, drukt dit uit. Populisten houden geen rekening met andere groepen of meningen. Zij vertegenwoordigen namelijk het volk. De PVV lijkt mij zeker anti-pluralistisch. De beruchte uitspraak van Wilders, waarvoor hij voor de rechter moest  verschijnen: “Willen we  meer of minder Marokkanen?” wijst op het uitsluiten van een bepaalde bevolkingsgroep. 

De oorsprong van het populisme ligt in de Verenigde Staten. Boeren en de  People’s Party  keerden zich tegen de macht van het grote geld.  De inhoud van het begrip  populisme is in de Verenigde Staten progressief.  Populisme betekent meer democratie. Pas later kreeg het begrip een negatieve inhoud. In Europa heeft het populisme een meer regressieve  inhoud gekregen. Dat wordt ten dele door de geschiedenis bepaald.  Het fascisme en nationaal-socialisme waren vormen van populisme, maar niet elke vorm van populisme hoeft fascistisch of nationaal-socialistisch te zijn. Dan moeten er nog rassenhaat en geweld bij komen. Populisten hoeven ook geen nationalisten of racisten te zijn.  Maar er is wel een moreel onderscheidend criterium nodig om  populisten van de elites te onderscheiden waarmee duidelijk kan worden gemaakt wie tot het ware volk behoort.  Degenen die het populisme niet ondersteunen horen er per definitie niet bij. Wie zich niet bij het populisme aansluit, sluit zichzelf buiten. Alleen het populisme is in staat de ware volkswil vast te stellen en in een imperatief (verplichtend) mandaat te vertalen. De moderne pluralistische democratie kent echter slechts het vrije mandaat. Daarom maken populisten altijd een voorbehoud bij het parlement.

Kenmerkend is dat populisten het homogene volk tegenover de corrupte elites plaatsen. Het gaat om de “Mainstreet” versus  “Wall street”.    Uiteindelijk gaat het populisten ook niet om de participatie van de burgers. Het gaat hen om de representatie als zodanig. De belangen van het volk worden ook door populisten op de keper beschouwd niet serieus genomen.  Ze grijpen veel naar het instrument van het referendum, omdat zij daarmee de volkswil vaststellen. De elites zijn niet in staat om de volkswil in beleid te vertalen, maar dat lukt populisten ook niet omdat rationeel gedrag op individueel niveau niet rationeel hoeft te zijn op collectief niveau.

Het  vaststellen van de volkswil is ondoenlijk. Het volk is niet werkelijk coherent en moet daarom door  een politiek ondernemer gesouffleerd worden wat het eigenlijk denkt. Wilders denkt voor het volk, in 140 tekens op Twitter,  zonder het volk precies te kennen.  Omdat het populisme principieel anti-pluralistisch is, hebben populisten en zeker Wilders, zoveel moeite met de interne partijdemocratie. Als er een kenbare volkswil is en een leider die deze vaststelt dan is interne partijdemocratie niet nodig en zijn er ook geen  “checks and balances”  van  tussenliggende organisaties vereist. Populisten keren zich niet alleen tegen het parlement (“nepparlement”) maar ook tegen  de media (NPO = Staatsomroep) en de rechterlijke macht (nep-rechtbank) Per tweet weet de leider wat het ware volk denkt. De populist krijgt daarbij steun via het internet. Dit wordt de micro-openbaarheid genoemd. Men heeft binnen de eigen groep gelijk en men kan andere meningen ontvolgen.  Geert Wilders heeft op Twitter 735.954 volgers, maar volgt zelf niemand. Je hoeft Geert niks te vertellen, hij weet alles. 

Een populistische partij heeft het lastig in de oppositierol. Zolang zij geen deel uitmaakt van de regering dient zij zich voortdurend te  verontschuldigen. Welke strategieën worden daarbij gehanteerd?

  1. De populist beroept zich op de zwijgende meerderheid buiten het parlement (de meta politieke illusie).
  2. De populist beschimpt het parlement (nep-parlement).
  3. De populist wordt tegengewerkt door oude machten (Kom in verzet!; wraak de rechter)

De praktijk
Populisme is niet alleen een mobilisatiestrategie. Ook populisten willen machtsposities bereiken en deze consolideren voor de langere termijn.  De populisten kunnen worden opgenomen in de macht, omdat je met anti-politiek alleen geen staat kunt besturen. Dit geldt ook voor de PVV. Het minderheidskabinet Rutte 1 werd door Wilders gedoogd.  Populisten nemen hun plaats in en benoemen hun mensen op sleutelposities in de staat. Wilders zet nu duidelijk in op posities in de gemeenten en voorvoelt blijkbaar al dat hij in 2017 buiten de nationale macht zal worden gehouden, maar wil dan wel sterk in de gemeenten aanwezig zijn.  De vraag is volgens Müller hoe de bestaande machten in de praktijk  omgaan met populisten. Men zal op een bepaalde manier met het populisme moeten omgaan, zelfs als het principieel anti-democratisch is. Het populisme zal bepaalde groepen negeren of uitsluiten. Dit moet men volgens Müller bekritiseren omdat er vroeger of later sprake zal zijn van discriminatie. De rechter heeft Wilders in het tweede proces in zekere zin een waarschuwing gegeven. Er was nog geen sprake van discriminatie, maar wel van groepsbelediging. Wilders werd wel veroordeeld, maar kreeg geen straf.

Oorzaken van populisme
Müller noemt diverse oorzaken van het populisme. Hij merkt eerst op dat ongeveer 10 tot 15% van het electoraat automatisch klaar staat voor populisten. Deze ijzeren populistische voorraad moet in zekere zin door een politiek ondernemer worden wakker gekust. Fortuyn werd en Wilders wordt door de aanhang niet voor niets  aangeduid als “de Verlosser”. De tweede oorzaak die Müller noemt is de crisis in de politieke representatie.  De oude volkspartijen zijn op hun retour.  Nieuwe partijen hoeven echter geen crisis in de representatie te betekenen.  Alle partijen hebben leden verloren. De volatiliteit in de politiek is tegenwoordig hoger dan die van de aandelen op de beurs.  De oudere bestaande partijen hebben zich los gekoppeld van de maatschappij en zijn  teveel onderdeel van de staat geworden. De oude kartelpartijen  (VVD, CDA, PvdA) zijn  versmolten met de staat.  Ze zijn wel “responsible”, maar niet meer responsief.  Te veel mensen beschouwen de staat als een bedrijf en deze wordt ook op deze manier gerund: de verzorgingsstaat is opgevolgd door de managementstaat. Binnen deze bedrijfsmatige constellatie is de keuze tussen centrum rechts en centrum links  de keuze tussen Coca Cola en Pepsi. Deze post-politieke situatie heeft de ruimte gecreëerd voor het rechtspopulisme, wiens vertegenwoordigers migranten willen buitensluiten. Doordat rechts en links te liberaal zijn geworden is deze politieke niche voor populisten ontstaan. Maar het is allang geen niche meer.   

Als antwoord moet er volgens Müller een links populistische beweging worden gecreëerd. Links moet een fundamenteel antagonisme in de maatschappij creëren. Het moet niet gaan om een tegenstelling tussen volk en migranten, maar tussen volk en de economische kracht van het neoliberalisme. Klaver (GroenLinks) en Asscher (PvdA) lijken deze kant op te gaan. Het populisme is bij rechts terecht gekomen, terwijl het aan de linkerkant had moeten plaatsvinden.

Met deze laatste stelling van Müller ben ik het niet eens, zeker niet als ik reflecteer op de Nederlandse politiek. Het populisme in Nederland kent twee gedaanten: het linkspopulisme en het rechtspopulisme. Interessant is dat het populisme in Nederland aan de linkerkant van het politieke spectrum is begonnen. De Socialistische Partij werd in 1972 opgericht en trok veel kiezers weg bij de PvdA, die zich  in  de Paarse coalitie (1994) overleverde aan de VVD en het neoliberalisme. De SP verzette  zich fel tegen het neoliberalisme.  Het hoogtepunt van het neoliberalisme in Nederland was de Paarse coalitie die in 1994 tot stand kwam. Om te kunnen regeren moest de links-rechts tegenstelling  de ijskast in en werd de politiek meer technocratisch en meer management. Daardoor ontstond aan de flanken de ruimte voor populistische bewegingen. Eerst aan de linker kant de SP en later aan de rechterkant de LPF van Fortuyn en ik veronderstel een historisch lijntje met  ‘Trots op Nederland’ van Rita Verdonk en de PVV onder leiding van Wilders. Omdat de tijdgeest meer rechts is, wordt de ruimte om te concurreren aan de rechterkant van het politieke spectrum steeds verder opgevuld met nieuwe initiatieven zoals VNL, het Forum voor Democratie en Geen Peil. Het opvallende in de Nederlandse situatie is dat de SP niet in staat is gebleken het antwoord te geven op de opkomst van Geert Wilders. Dat heeft naar mijn mening te maken met het feit dat het niet alleen gaat om de groeiende ongelijkheid als gevolg van het neoliberalisme, maar ook om een culturele dimensie omtrent oude en nieuwe groepen. Een kiezer van  Trump verklaarde op t.v.  tegen sexe-neutrale toiletten te zijn. Er was volgens de respondent niet alleen sprake van een sociaal-economische tegenstelling in de Amerikaanse politiek maar ook van een botsing van culturen. Het is deze culturele scheidslijn die mede door Wilders In Nederland wordt gepolitiseerd en zijn succes voor een groot deel kan verklaren.
 

woensdag 14 december 2016

“Democracy for realists. Why elections do not produce responsive government”

Boekbespreking voor Jan Dijkgraaf, Jan Roos en Thierry Baudet

Christopher H. Achen & Larry M. Bartels, (2016), “Democracy for realists. Why elections do not produce responsive government”, Princeton and Oxford, Princeton University Press.


De kritiek op de democratie is luid hoorbaar. De democratie is niet in staat tot bindende besluiten te komen. De burgers herkennen zich niet in het beleid. Er ontstaat een roep naar leiderschap. Sterke mannen en vrouwen worden weer gewaardeerd. Overal wordt het referendum van stal gehaald, zoals bijvoorbeeld in Nederland over het Associatieverdrag met de Oekraïne. Andere voorbeelden zijn het referendum over het mogelijk uittreden van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (Brexit) en het referendum in Italië over de macht van de Senaat en de regio’s. De uitslagen keren zich dikwijls tegen de zittende machthebbers, die vertwijfeld achterblijven. De druk van populistische partijen is zo groot dat bestuurders van eerbiedwaardige instituties aan zichzelf beginnen te twijfelen.

Het kan gezien de crises in vele democratieën geen kwaad ons te verdiepen in het verschijnsel democratie. De democratie als politiek systeem is zo vanzelfsprekend geworden dat wij ons er nauwelijks meer in verdiepen. De naoorlogse generatie denkt: democratie is er altijd geweest en zal er ook altijd wel blijven. Dat is natuurlijk de vraag, onder bepaalde condities kan een democratie bezwijken.

Laten wij optimistisch beginnen. Het aantal democratieën is overal ter wereld sterk toegenomen. In vele landen zien wij een combinatie van markteconomieën en democratie, of in klassieke termen tussen kapitalisme en democratie. De democratie kent minder vijanden dan in het verleden. Het ontbreken van alternatieven (communisme of fascisme) kan één van de oorzaken zijn dat de tegenstellingen binnen de democratie zijn toegenomen en de polarisatie tussen groepen en politieke partijen groeit. Die spanningen kunnen ook het gevolg zijn van de sociaal- economische ongelijkheid in democratieën. De laatste tijd ontwaren wij steeds meer markteconomieën die met een autocratisch en of plutocratisch politiek regime te maken hebben (Rusland, China of Turkije). Landen waarbij verkiezingen en mensenrechten met voeten worden getreden.

Democratie betekent letterlijk regeren door het volk. Het kwam gedeeltelijk voor in het antieke Griekenland in de stadstaten. Het werd een ideaal van de Verlichting, toen de wetenschap en de rede opstonden tegen het aristocratische oude regime. Het werd, als ideaal, onderdeel van de Franse en de Amerikaanse revolutie.

De politicoloog Dahl stelde in het verleden al dat democratie een ideologie is die nergens ter wereld heeft bestaan of bestaat. Ook niet in de Griekse stadstaten. Een democratie is volgens hem een ideaaltype, waarbij hij zich baseert op het werk van de socioloog Weber, die zich verdiepte in het verschijnsel waardenpluralisme. Een ideaaltype is een theoretische constructie met diverse variabelen die nergens in de werkelijkheid tegelijkertijd worden aangetroffen. Aan de hand van het ideaaltype democratie kan men wel de mate van democratisering van een land vaststellen. Voor empirisch onderzoek sprak Dahl dan ook liever van een polyarchie dan van een democratie.

De politicologen Achen en Bartels schrijven in hun nieuwe boek over het kernprobleem van de democratie. Verkiezingen kunnen volgens hen geen responsieve overheid opleveren. Ook de directe democratie via referenda niet. Over democratie bestaan volgens Achen en Bartels drie typen.

Type 1: de volksdemocratie

Dit is een nastrevenswaardig ideaal. Het gaat ervan uit dat de mens een sociaal en politiek dier is. De burgers zijn allemaal uitstekend geïnformeerd en kiezen daarom de juiste mensen die het land moeten besturen. Het wordt ook wel de klassieke democratie genoemd. Het veronderstelt dat de voorkeuren van individuele burgers via het kiesmechanisme op het collectief niveau zichtbaar worden in beleid. De overheid houdt dus rekening met de opvattingen van de burgers waardoor er sprake is van een responsieve overheid.

Type 2: de retrospectieve democratie

Van een responsieve overheid is volgens het tweede type niet echt sprake. De burgers houden zich met hele andere zaken bezig dan met de politiek. De kiezer is hooguit retrospectief en beoordeelt de zittende machthebbers. Dit type democratie gaat terug op het werk van de Oostenrijkse politiek econoom Joseph Schumpeter. Deze econoom had het eerste type, de klassieke democratie, in het verleden al gefileerd. Hij vond de klassieke opvatting over democratie niet realistisch en stelde dat democratie een methode was om de leiders te kiezen en weg te sturen. Het ging om de concurrentie van de stemmen. Zoals een olieboer handelt in olie, zo handelt een politicus in stemmen. Een bedrijf streeft naar winstmaximalisatie, een politicus naar stemmenmaximalisatie. Deze theorie werd later uitgewerkt door de politicologen Anthony Downs en Duncan Black. Dit leidde tot een ruimtelijk model van de democratie waarbij de politieke partijen door de kiezer zelf op een links-rechts schaal werden geplaatst. Het leidde ook tot coalitietheorieën over regeringen en tot assumpties over welke politieke partijen met elkaar zouden gaan samenwerken. Ook vanuit de jonge politieke wetenschap kwam er bewijs dat de kiezer niet over alle informatie beschikte en niet precies op de hoogte was van alle standpunten van de politieke partijen. Kiezers werkten met ‘belief systems’. Ook werd door het werk van de politiek econoom Arrow duidelijk dat uitgaande van bepaalde condities een logische keuze van een individu op het collectieve niveau niet hoeft te betekenen dat er rationeel beleid tot stand komt. Een democratie zal dus nooit geheel responsief zijn.

Type 3: de groepsdemocratie. 

Achen en Bartels stellen dat er een nieuw model nodig is. De kiezer is volgens hen bijziend. De groepsdemocratie leidt tot identiteitspolitiek. Volgens Achen en Bartels verklaren de eerste twee typen democratie niet zoveel. De burgers zijn door hun dagelijkse bezigheden slecht geinformeerd, hebben geen duidelijk ideologisch beeld van een politieke partij en rekenen tijdens verkiezingen af op basis van korte termijn ontwikkelingen. Als het economisch beleid van de zittende regering tegenzit dan kunnen de machthebbers het schudden en zullen zij zonder bloedvergieten worden weggestuurd. Zelfs als het in voorafgaande jaren beter ging of dat dit het geval is op de lange termijn. Daarbij zijn het soms onverwachte gebeurtenissen die een verkiezing helemaal in de war kunnen sturen. Rampen en plotseling opduikende haaien zijn bij deze auteurs de voorbeelden. Kiezers gaan vooral af op het feit dat zij tot een bepaalde groep behoren en zich identificeren met die partij waarvan zij menen dat deze het dominante groepsbelang het beste vertegenwoordigt (partij-identificatie). Deze theorie van de groepsdemocratie is niet nieuw, maar kan wel worden gebruikt om hedendaagse ontwikkelingen binnen pluralistische democratieën te analyseren. Er lijken steeds meer groepen te bestaan waardoor de politieke en sociale scheidslijnen tussen bevolkingsgroepen op het Mikado spel beginnen te lijken. Kiezers zijn steeds meer zwevend en brengen hun stem uit op basis van een vaag gevoel dat een bepaalde politieke partij hun voorkeuren het beste verwoord. Hispanics, Mexicanen, Turken, Marrokanen, boeren, vrouwen, homo’s, lesbiennes zoeken naar een partij die hun voorkeuren representeren of richten zelf een partij op. Elke groep kent zijn eigen cultuur die samenwerking mogelijk kan maken, maar deze culturen kunnen ook botsen. Onverwachte gebeurtenissen kunnen een sociale groep van mening laten veranderen waardoor een partij een bepaalde vertrouwde groep gaat missen of dat deze groep zich gaat splitsen.

Omdat er geen sprake kan zijn van een responsieve overheid zijn er altijd mensen ontevreden over de democratie. Door ontwikkelingen in de tijd kan de kritiek op de democratie groteske vormen aannemen. We spreken dan van een crisis in de democratie. De democratie is in een dergelijke periode niet snel in staat tot goede besluiten te komen. Er vindt polarisatie plaats en als de verhoudingen tussen de machtsblokken permanent rond de “fifty-fifty” komen dan komt de legitimiteit van de democratie onder druk te staan. Er zijn dan verschillende scenario’s denkbaar. Men moddert voort omdat in de termen van Churchill de democratie een slecht systeem is maar het best denkbare, of er ontstaat een flirt met autocratisch leiderschap. Ook ziet men tijdens een crisis dat vele mensen denken dat je de democratie kunt verbeteren door meer democratie in te voeren. Men wil dus experimenten met directe democratie zoals bijvoorbeeld referenda. Een actuele ontwikkeling, die in het boek niet expliciet wordt behandeld, is dat populistische partijen zich afzetten tegen het hyperpluralisme van de identiteitspolitiek. Populistische partijen keren zich tegen de elites en zijn anti-pluralistisch. Zij roepen zichzelf uit tot het volk (“Wir sind dass Volk!), terwijl in dit boek betoogd wordt dat de representatie nooit één op één kan zijn en een volledig responsieve overheid niet mogelijk is. Achen en Bartels geven overtuigend bewijs dat referenda dikwijls slecht beleid opleveren: de fluorisering van het drinkwater wordt tegengehouden en er wordt bezuinigd op de brandweer. Dus zelfs de directe democratie is minder responsief dan wij en vele nieuwe politieke partijen en activisten denken. Populisten zijn ook uit op stemmenmaximalisatie om hun eigen machtspositie te bereiken.   


Jouke de Vries



dinsdag 29 november 2016

Italië: de volgende slag om de democratie.

Na het Nederlandse referendum tegen het Associatie Verdrag van de Oekraïne, het Brexit-referendum in de UK en de overwinning van Donald Trump, zal de volgende slag om de democratie gevoerd worden in Italië en wel op 4 december van dit jaar. Premier Renzi wil per referendum steun krijgen bij de Italiaanse bevolking om de invloed van de Senaat en de regio’s in Italië te beperken. Zij werken vertragend op de besluitvorming. Daarvoor moet hij de Constitutie wijzigen.


Italiaanse premier Matteo Renzi
(Foto: Wikimedia Commons)
Renzi is een aantal jaren geleden aan de macht gekomen. Hij was buitengewoon populair en zou als een wonderboy van de Italiaanse politiek het land er weer bovenop helpen. Daar was grote behoefte aan, nadat Italië jarenlang was geconfronteerd met de extravagante Silvio Berlusconi en de technocraat Mario Prodi.

Het is echter de vraag of premier Renzi het op rationele argumenten zal redden en of het referendum daar het meest geschikte instrument voor is. Steeds duidelijker wordt dat de politiek internationaal met een kantelpunt wordt geconfronteerd. Het is de vraag of de opzet van de Italiaanse premier gaat lukken. De internationale context en de politieke mood is sterk aan het veranderen. Het is goed mogelijk dat op de golven van het irrationalisme de opzet van Renzi mislukt en de uitslag van het referendum hem als een boemerang gaat treffen. Zeker nu hij zelf met aftreden dreigt als hij verliest.
Referenda zijn op dit moment bijzonder populair. Referenda kunnen gebruikt worden door dictators om hun gelijk te onderstrepen en tegenstanders te marginaliseren of door politieke ondernemers die het de zittende machthebbers lastig willen maken. Sommige politieke partijen zijn voorstander van het referendum om de zittende machthebbers te corrigeren. Als zij zelf deel uitmaken van de macht komen ze hier dikwijls op terug. De uitkomsten van referenda zijn dikwijls conservatief.

Dat er op dit moment veel met referenda wordt gewerkt heeft te maken met de politieke crisis waarin vele democratieën zich bevinden. De legitimiteit staat onder druk door de internationalisering van het bestuur, de grote immigratiestromen en de besluiteloosheid van parlementen. Bij sterke verdeeldheid van de bevolking kunnen parlementen niet zoveel. Het is opvallend dat als er sprake is van een crisis in de democratie er meestal wordt gevraagd om meer democratie terwijl het zeer de vraag is of dit de oplossing voor de problemen biedt. Het leidt in ieder geval tot lastige bestuurlijke situaties. Het Verenigd Koninkrijk verkeert na de Brexit in een impasse en premier Rutte kan rond het Oekraïne referendum niet veel anders doen dan tijdrekken.
De uitslag rond het referendum in Italië is minstens zo interessant als de uitslag van de Amerikaanse verkiezingen en zal grote betekenis voor de politieke ontwikkelingen in Europa hebben. Het jaar 2017 laat vele verkiezingen zien in Europa (Duitsland, Frankrijk, Nederland). De jaren dertig van de vorige eeuw hebben geleerd dat het geen kwaad kan het buitenland in de gaten te houden. 

donderdag 24 november 2016

The rise of disruptive politics (presentation)



(Foto: rechtenvrij)

Here you can download the Powerpoint presentation of the lecture I have given at the annual Thorbecke-lecture at the Thorbecke Academy (NHL University of Applied Sciences, October 10, 2016): The rise of disruptive politics.

Here you can watch the video of Trump vs Clinton I have used in the presentation.

Here you can watch the video of Nigel Farage I have used in the presentation.

First cartoon in presentation made by: Ruben Oppenheimer.

woensdag 9 november 2016

Enkele verklaringen voor de opkomst van Donald Trump

Het was een spannende verkiezingsnacht in Amerika, de nacht van 8 op 9 november 2016. Het gevecht tussen Donald Trump en Hillary Clinton  was adembenemend. Rond drie uur ’s nachts werd het voor mij duidelijk dat Trump ging winnen. De staten Florida en Virginia  “ontvielen”  de Democraten. Langzamerhand nam de kleur rood –de Republiekeinse kleur- toe op de kaart van de Verenigde Staten.

Donald Trump wint de verkiezingen (foto rechtenvrij)


Voor vele Europese journalisten bleek dit een eyeopener te zijn. Rob Trip en Dione Sax van de NPO wachtten tot ongeveer 8.30 uur in de ochtend, voordat zij durfden aan te geven dat Trump de winnaar was. Voorzichtig werd er gewacht op de laatste kiesmannen. Logisch toch, dat er geen snelle conclusies werden getrokken? Niemand had dit voorzien. Maar dat was niet helemaal waar. De progressieve documentaire maker Michael Moore voorspelde al in een vroeg stadium dat Trump zou gaan winnen.

De verbazing was zo groot omdat Trump alles deed wat volgens de spelregels van de verkiezingen niet geoorloofd was. Hij beledigde Mexicanen, hij was onheus naar vrouwen en wilde Clinton het liefste achter de tralies hebben. Trump schold en tierde dat het een aard had. Misschien is dit een deel van de verklaring voor het succes. Juist door zich vreemd te gedragen presenteerde hij zich als een niet-normale politicus en werd hij het gezicht tegen het establishment die gerepresenteerd werd door de familie Clinton.

In Nederland stelden vele mensen onthutst vast dat wij bij de naderende landelijke verkiezingen van maart 2017 waarschijnlijk hetzelfde zullen meemaken.  Wilders, de Nederlandse Trump, zal dan ook wel fors gaan winnen. Ik vraag mij dat af omdat wij al eerder hebben meegemaakt wat Amerika nu meemaakt, namelijk de opkomst van Fortuyn. Maar Wilders heeft volgens mij niet het charisma dat Fortuyn wel had.

Disruptieve politiek
Het opvallende aan de opkomst van Trump is dat hetzelfde verschijnsel – het type politicus - zich in vele politieke systemen en landen lijkt voor te doen. Ik heb het eerder disruptieve politiek genoemd. Politici die zich buiten de kaders opstellen, sterk politiseren en zeggen waar het op staat, gaan er overal met de buit vandoor. Excentriek gedrag, vaak gek en soms krankzinnig, wordt electoraal beloond. Het irrationele is dominant geworden in de politiek.  
Welke verklaringen kunnen wij noemen die mogelijk een rol hebben gespeeld bij de Amerikaanse verkiezingen en het succes van Trump?

1. Het proces van globalisering
De globalisering doet al een aantal jaren van zich spreken. Globalisering is veroorzaakt door de ICT revolutie waardoor voorheen nationale economische systemen met elkaar verbonden zijn en door lage transportkosten, waardoor immigratiestromen op gang zijn gekomen. Een deel van de bevolking heeft belang bij de globalisering, terwijl een ander deel zich verliezer voelt. Mensen raken door de globalisering banen kwijt. De agenda’s van Donald Trump en Bernie Sanders raakten elkaar enigszins. Globalisering leidde in het verleden tot nationalisme, tegenwoordig tot links en rechts populisme.

2. America in decline
Los van zijn politieke stijl raakte Trump een gevoelige snaar in de Verenigde Staten. Door de geopolitieke veranderingen in de wereld, voelt een deel van de Amerikaanse bevolking dat hun land ten opzichte van andere landen in “decline” is. Daarom kreeg de simpele boodschap van Trump  “Make America great again” zoveel aanhang. Mensen zonder baan raakten enthousiast over een succesvolle ondernemer die zich keerde tegen de internationale handelsverdragen die hun weinig goeds hadden gebracht. Het succes van Trump is mogelijk een verlate reactie van de Amerikaanse bevolking op de economische crisis van 2008 en de ongelijkheid die mede daardoor is ontstaan. CNN maakte via de exitpolls duidelijk dat een groot deel van de Amerikanen de ongelijkheid willen aanpakken en de elites die daarvoor verantwoordelijk zijn.

3. De informatieoorlog
Het gebruik van sociale media was natuurlijk niet nieuw in de Amerikaanse verkiezingen. Obama had daar bij de vorige verkiezingen al succesvol gebruik van gemaakt.  Er was nu echter niet meer sprake van informatie-uitwisseling, maar van een informatie-oorlog. Dit betekent dat hackers vervelende informatie in het rond strooiden, maar ook dat de informatie alleen maar gebruikt wordt om het eigen gelijk te ondersteunen. Omdat de waarheid niet meer benaderbaar is en alles een sociale constructie is, zijn de kiezers niet meer geïnteresseerd in de opvattingen van de andere politieke partij, maar alleen in het gelijk van de eigen beweging, waardoor informatie-uitwisseling en consensuspolitiek  niet meer worden nagestreefd.

4. De celebrity cultuur
Trump zoekt als ondernemer waarschijnlijk erkenning van het establishment. Dat komt veel voor bij de “nouveau riche”. Ze zijn als ondernemer wel succesvol, maar krijgen niet de erkenning van het oude geld of de zittende machten. Dit is een bekende frustratie die kan leiden tot anti-establishment politiek omdat geen enkele partij de rijke nieuwkomer accepteert.  Door de opkomst van Trump, kwamen de Clinton’s die al zo lang meedraaien in de Amerikaanse politiek in het beklaagdenbankje terecht.  Trump maakte daarbij gebruik van zijn celebrity status. Velen minderbedeelden projecteerden hun haat op de Clinton-clan en keken op naar de succesvolle Trump die de beschikking had over een eigen vliegtuig en zich omringde met vrouwen die wij anders slechts als rondemissen te zien krijgen. Hij kreeg waardering omdat hij door zijn eigen partij, bij de primaries en de nominatie niet serieus werd genomen, en omdat hij in zijn eentje de strijd aanging met Washington.  

De globalisering van de economie met daarbij winnaars en verliezers, het wegzakken van de Verenigde Staten als wereldmacht, de informatie-oorlog waardoor waarheidsvinding, nuances en consensus zoek is en de celebrity status van Trump vormen vier mogelijke verklaringen voor het electorale succes van Trump.

woensdag 26 oktober 2016

Boek: MARK, portret van een premier

De omslag van het boek over premier Rutte van Sheila Sitalsing is eigenlijk al voldoende. Het is een foto van minister-president M. Rutte op het Plein in Den Haag. Hij is vermoedelijk aan komen lopen van het ministerie van Algemene Zaken, schuin over het Plein, langs het beeld van Willem van Oranje. Hij groet waarschijnlijk een bekende op één van de terrassen aan het Plein. Dat hoeft geen VVD’er te zijn want Mark groet iedereen. Eén hoofdstuk in het boek heeft de titel “Mark groet de dingen”. Het is een prachtige verwijzing naar het vrolijke gedicht van Paul van Ostaijen “Marc groet ’s morgens de dingen”. Het is een treffend beeld van Mark Rutte. Men ziet hem bijna vrolijk huppelend met een netje achter vlinders aangaan. Met een uitbundig humeur. Op de omslagfoto heeft Mark zijn rechterhand in zijn zak, een brede glimlach en een wijzende vinger aan zijn linkerhand. Mark gebruikte al icoontjes voordat de Iphone daarvoor mogelijkheden gaf. Uit het boek blijkt dat Mark eigenlijk alles “liked”, hoewel hij een enkele keer in woede ontsteekt en waarschijnlijk aan het ontvrienden slaat. Het wordt niet echt duidelijk waar Mark kwaad over wordt. Hij vind dat je je aan afspraken moet houden.



De titel van het boek is MARK. Het staat met koeienletters op de voorkant. Niet M. Rutte of premier Rutte. Nee er staat in grote kapitalen MARK. Zoals er tegenwoordig boeken zijn over GIJP of HAY en bladen zoals LINDA of MAARTEN. Het ontbreekt alleen nog aan grote letters op het Plein die tezamen de tekst “I love Rutte” vormen zoals “I love Amsterdam”.

Het is niet precies duidelijk waarom Sheila Sitalsing een boek over minister-president Rutte heeft geschreven. Gaat het nu over de persoon Mark Rutte of over de ontwikkelingen in de Nederlandse politiek? Gaat het over het ambt van de minister-president en de veranderingen daarin of gaat het om vergelijkingen met andere minister-presidenten? Het wordt niet helemaal duidelijk. “Mark is een eerste serieuze studie naar het verschijnsel Rutte”, staat er op de achterflap. Het is een portret van een premier, maar geen biografie. Er zijn vele mensen geïnterviewd, waarbij er een zeker bias in de richting van de VVD aantoonbaar is. Daar is niks mis mee, maar het geeft denk ik een licht vertekend beeld van Mark. Diederik Samsom en Wouter Bos zijn wel gesproken, maar dat zijn eerder vrienden van Mark dan criticasters. De doorgaans joviale Mark heeft zelf niet meegewerkt aan het boek.
Het boek is helder en goed geschreven. We kennen Sitalsing als een uitstekende columnist. Elk hoofdstuk kan beschouwd worden als een goede en uitgebreide column. Uiteindelijk is er ook wel sprake van een goede samenhang tussen de hoofdstukken, maar het blijft wringen dat de lezer niet precies te weten krijgt wat de schrijver nu duidelijk wil maken rond het verschijnsel Mark.
Het boek is bij tijd en wijle spannend. Bijvoorbeeld als Mark staatsecretaris wordt (het VVD-kamerlid Wilders wordt gepasseerd), als Van Aartsen aftreedt, als Mark het gevecht moet aangaan met Rita Verdonk, als Mark minister-president wordt van een minderheidskabinet dat gedoogd wordt door de PVV van Wilders en als hij gaat regeren met de PvdA van Diederik Samsom, terwijl zij elkaar kort daarvoor in de verkiezingen hebben verketterd.

Pas aan het eind van het boek wordt fragmentarisch duidelijk wat de auteur duidelijk wil maken. In één van de laatste hoofdstukken wordt ingegaan op zijn presentatie en retorische stijl. Enige reflectie komt ook tot stand door een prachtig, en terecht uitgebreid citaat van de staatsrechtgeleerde A.M. Donner, over de staatsrechtelijke positie van de minister-president die als primus inter pares deerniswekkend is. Dit citaat had ook kunnen worden gebruikt om veranderingen in het ambt van de minister-president te analyseren. Is zijn positie bijvoorbeeld sterker geworden door Europa of niet?
Het boek geeft een schat aan informatie over de positie van de minister-president in een veranderende context. De tijd van grote stromingen en de grote politieke partijen is voorbij. Het is fragmentatie en versplintering alom. Een meerderheidskabinet met steun in het parlement, zoals vroeger is niet meer vanzelfsprekend. Mark Rutte geeft leiding aan een minderheidskabinet dat gedoogd wordt en smeedt een coalitie met de PvdA die in de Eerste Kamer niet op een meerderheid kan rekenen. Rutte stelt dat deze situatie nog lang zo zal blijven. Wen er maar vast aan! Er moet per onderwerp naar een meerderheidscoalitie worden gezocht.

Sitalsing raakt een bekend onderwerp in de literatuur over leiderschap en het functioneren van minister-presidenten. Rutte past in de tijd. Daarbij is het lastig de vraag te beantwoorden of de politicus de tijd bepaalt of dat de tijd de politicus boetseert. Naar mijn mening is het niet zozeer Rutte die de tijd naar zijn hand zet, maar is het meer de tijd die Rutte naar boven laat komen, als een politicus die als geen ander in de hedendaagse politieke krachtsverhoudingen kan functioneren, omdat hij een procesmanager is.

Door de versplintering en fragmentatie van de politiek is een minister-president nodig die zich verre houdt van ideologische scherpslijperij. Dat doet Rutte als geen ander. Sitalsing spreekt een keer van de methode-Rutte, waarvan de kenmerken verspreid over de hoofdstukken voorkomen. Die methode Rutte is er wel zeker en bestaat uit de volgende zaken:
  • een zeer uitgebreid netwerk
  • een goed humeur
  • een goede conditie
  • het gemakkelijk kunnen loslaten van standpunten
  • het gebruiken van verkleinwoorden

Rutte beschikt over deze vaardigheden en opereert als een politieke acrobaat. Volgens zijn eigen Thorbecke lezing sms’t en telefoneert hij zich helemaal suf in deze tijden van minderheidskabinetten. Daarbij geloof ik niet dat Rutte inhoudsloos is of dat hij geen macht uitoefent. Dat is een beetje de suggestie die uit het boek spreekt.
Ik geloof wel degelijk dat Rutte inhoud heeft en ideologisch weet waar hij staat. Dat hij zich verre houdt van blauwdrukken is een respectabel standpunt dat ook door Sir Karl Popper is ingenomen. Rutte lijkt daarnaast geïnspireerd door de pragmatiek van Dewey. Rutte kijkt nimmer achterom, maar wil problemen oplossen. Dat doet hij met iedereen die hij daarvoor kan gebruiken. Dat komt vriendelijk over, maar op hetzelfde moment wordt er keihard politiek bedreven. Zijn vriendschappen zijn deels oprecht, maar lijken dikwijls ook instrumenteel. Diverse politici naait hij in het pak en die raken daardoor beschadigd. Bijvoorbeeld Jolanda Sap van Groen Links, die zich door de charme van Rutte heeft laten inpakken.

Het is onzinnig te veronderstellen dat Rutte niet uit is op macht. Rutte, een liefhebber van de trilogie over de machtspoliticus, president Lyndon B. Johnson, kent de politiek als geen ander. Hij zegt geen macht te hebben, maar hij weet dat het in de politiek om twee dingen gaat: 

1. Hoe verover je de macht en 
2. Hoe consolideer je de macht. 

Het is een beetje naïef om Rutte af te schilderen als de brave soldaat Schwejk die om alles lacht en schik heeft. Hij is van meet af aan gericht geweest op de macht en op de consolidatie daarvan. Veel beter dan zijn voorgangers in de VVD heeft Rutte in de gaten dat hij zijn mensen moet benoemen op cruciale posities. Het boek laat heel mooi zien hoe een politieke partij, zelfs de VVD, steeds meer als een machtsmachine gaat functioneren. De top van de partij bepaalt in feite wie de lijsttrekker wordt. Opstelten speelde daarbij een cruciale rol. De benoeming van Opstelten en huisideoloog Rosenthal en anderen uit het netwerk van Mark in het kabinet Rutte 1 zijn in dit verband veelzeggend. Sitalsing constateert ook dat de VVD een machtspartij is geworden. Dat is de partij altijd geweest. Macht toont zich niet alleen in openbare beslissingen, maar is ook neergeslagen in de maatschappelijke constellatie en instituties die wij kennen en die door de bestaande machthebbers worden verdedigd. De macht van Rutte bestaat eruit dat de maatschappij in Nederland ondanks of dankzij de samenwerking met de PvdA, niet wezenlijk is veranderd. Het is nog steeds een markteconomie waarin veel geld wordt verdiend en waarbij de welvaart ongelijk verdeeld is. Het relativeren van de macht en je ambt “een baantje” noemen is de kern van machtspolitiek die Mark Rutte bedrijft.


Sheila Sitalsing, (2016), MARK. Portret van een premier. Prometheus, Amsterdam.   

dinsdag 20 september 2016

Onteigeningswet en kabinetscrises


Grondmateriaal voor de lezing gehouden op 13 september 2016 in de oude zaal van de Tweede Kamer, naar aanleiding van het symposium 175 jaar Onteigeningswet, georganiseerd door de Vereniging van Onteigeningsrecht. In aanwezigheid van oud minister van Justitie en minister-president, de heer A.M.M. van Agt.

De lezing begon met een korte film over de val van het kabinet-Den Uyl op 22 maart 1977 over de grondpolitiek.



 

Dames en heren,

Ik hield het vroeger niet voor mogelijk dat de Onteigeningswet op zou gaan in een nieuwe wet: de Omgevingswet! Ik kon mij niet voorstellen dat de Onteigeningswet niet langer in de draaimolen van Schuurman en Jordens zou staan. Dat kunt u wereldvreemd noemen omdat de wereld door de digitalisering wel doordraait en steeds sneller, maar de juridische molen van Schuurman en Jordens, door het downloaden van literatuur, allang niet meer. (1)

Deze bijeenkomst in de Oude Zaal van de Tweede Kamer wordt formeel georganiseerd omdat de Onteigeningswet van 1841, dit jaar 175 jaar bestaat, maar toch ook om te markeren dat kwesties rond onteigening zullen worden geregeld via de nieuwe Omgevingswet. Dit alles in het kader van de administratieve vereenvoudiging, deregulering en decentralisaties naar gemeenten en provincies. Ik vind die nieuwe Omgevingswet overigens knap ingewikkeld. Om van de grondpolitiek in het verleden maar niet te spreken.

De minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus, noemt de Onteigeningswet een belangrijk instrument in de gereedschapskist van de Omgevingswet. De Onteigeningswet wordt daarmee, zo lijkt het, een instrument voor een ander doel dan waarvoor de wet in 1841 is ontworpen en ingediend. Deze verschuiving van doel naar instrument lijkt mij niet zonder betekenis. Het doel van de Onteigeningswet was onteigeningen in het algemeen belang mogelijk te maken, maar tevens en vooral om de burger te beschermen tegen de overheid. Vandaar dat onteigening in de procedures met vele garanties omgeven is en er sprake moet zijn van een schadeloosstelling, naar vermogen en inkomen, die door de civiele rechter wordt vastgesteld. Met het accepteren van de opname van de Onteigeningswet in de Omgevingswet lijkt het proces van vermaatschappelijking van het recht weer een stapje verder te zijn gegaan: het collectieve domineert het individuele steeds meer. Het privaatrecht wordt steeds meer publiekrecht. Dat is zeker in een dicht bevolkt land, met vele strijdende belangen om de grond, het geval. (2)

Als Den Uyl 1973 een nieuwe Omgevingswet had voorgesteld, waarin de Onteigeningswet was opgenomen, dan was denk ik zelfs zijn eerste kabinet er niet gekomen. Van een heftig politiek en maatschappelijke debat over de grondpolitiek is echter op dit moment geen sprake. Dat is in de geschiedenis wel eens anders geweest.

De Onteigeningswet is naar mijn mening een zeer belangrijke wet. Het is de juridische formulering van een zwaar strijdpunt in de politiek: de eigendom van grond en mogelijke onteigening door de overheid.

Onteigening door de overheid is de ontkenning van het privé-eigendom. Daar zijn zoals bekend voor- en tegenstanders van. Privé-eigendom en de registratie daarvan door een goed functionerend Kadaster zijn belangrijke voorwaarden voor het goed functioneren van de kapitalistische economie. Omdat privé-eigendom anderen uitsluit zijn eigendom en onteigening ook belangrijke vraagstukken in het functioneren van de democratie, een politiek systeem dat dikwijls gekoppeld is aan de markteconomie, hoewel de markteconomie ook andere, meer autoritaire politieke regimes toelaat.

Privé-eigendom maakt duidelijk dat wij – hoewel de democratische ideologie anders aangeeft – niet allemaal gelijk zijn. De één heeft bezit, de ander niet. Dat kan te maken hebben met het feit dat de ene persoon zich meer inspant om bezit te krijgen, maar men kan ook geboren worden in een situatie dat er geen bezit is en dat je van een dubbeltje nooit een kwartje kunt worden.

Eigendom en onteigening zijn altijd belangrijke onderwerpen in de politiek geweest. Eigendom van roerende en onroerende goederen bepaalt deels de machtsverhoudingen. Het bezit van land speelt in sociale en politieke revoluties altijd een grote rol. Bij politieke en sociale revoluties werden de bestaande machtsverhoudingen gewijzigd en de eigenaren dikwijls onteigent en zelfs onthoofd. Het privébezit werd door en na de revolutie gecollectiviseerd (gesocialiseerd klinkt iets milder en wordt gekoppeld aan de sociaaldemocratie; het begrip collectivisering meer aan het communisme) of tijdens oorlogen geconfisqueerd. Privébezit van grond en onteigening roepen daardoor altijd veel emoties op. De literatuur is goed gevuld met verhalen over mensen die bezit door een onredelijke onteigening zijn kwijtgeraakt. Ik kan wijzen op de gevolgen van de Russische Revolutie en het verlies aan eigendom in ons Indië. Ik kan wijzen op de Palestijnse kwestie. Onteigening gaat meestal gepaard met veel tranen. Maar die tranen vloeien ook als je niks bezit.

Eigendom en onteigening zijn druk bediscussieerd in de politieke filosofie, de politieke economie, in politieke ideologieën van politieke partijen en in het recht. De meningen over eigendom en onteigening zijn altijd sterk verdeeld geweest. In de politieke filosofie kunnen wij het werk van kerkvader Thomas van Aquino noemen, die wijst op het rentmeesterschap. Eigendom heeft een individueel en collectief aspect en dient als product van de schepper goed beheerd te worden. Later stelt de liberaal John Locke eigendom (“Estate”), gelijk aan “Life and Liberty” en dat dit na te streven idealen zijn. Aan de linkerkant van het politieke spectrum beroepen velen zich op de anarchist Proudhon: “Eigendom is diefstal”!

In de politieke economie had het debat over de grond vooral betrekking op de rente theorie. David Ricardo, Adam Smith en Karl Marx werkten de grondrente theorie verder uit. De grondrente kwam toevallig terecht bij de landeigenaren. Niet onbelangrijk in het debat was het werk van de landhervormer Henry George. Van zijn Progress and Poverty werden meer dan 3 miljoen exemplaren verkocht. Zijn stelling was dat vooruitgang en armoede hand in hand gingen omdat de meerwaarde in handen kwam van de landeigenaren en niet van andere klassen,

In de ideologieën van de Nederlandse politieke partijen was eigendom en de grondpolitiek altijd een belangrijk onderwerp. De drieslag qua opvattingen over eigendom, die tussen liberalen, confessionelen en socialisten, is in alle debatten over de grondpolitiek herkenbaar. Het gaat er natuurlijk uiteindelijk om hoe je deze uiteenlopende visies bij elkaar krijgt.

De VVD was voorstander van privé-eigendom, maar erkende de noodzaak van onteigening, in het algemeen belang. De liberalen begrepen dat door de industrialisatie en de groeiende rol van de overheid in de planning van de claims op de ruimte dat de staat in uiterste noodzaak kon overgaan tot onteigening. Dat betekende in de visie van de liberalen dat de overheid bij onteigening de landeigenaar de verkeerswaarde zou moeten vergoeden. De verkeerswaarde is iets anders dan de marktwaarde: de verkeerswaarde is een juridisch begrip en komt tot stand via de rechter waarbij redelijke partijen het uitgangspunt zijn. Bij de schadeloosstelling was er zowel sprake van inkomens- als vermogensschade. De PvdA baseerde zich meer op linkse politieke economen en het werk van Henry George. Het was niet rechtvaardig dat toevallige eigenaren door uitbreiding van steden, slapende rijk werden. Rond steden deden zich concentrische ringen voor, waardoor de waarde van landbouwgrond, zonder dat de landeigenaren iets deden, toenam. Onteigening in het algemeen belang was een belangrijk instrument voor de PvdA: de vergoeding moest ook worden erkend, maar dit was in de visie van de PvdA de gebruikswaarde. Die lag lager dan de verkeerswaarde. De confessionele partijen – ARP, KVP en de CHU - erkenden de waarde van eigendom en waren ook zo realistisch onteigening te accepteren. Zij kozen voor de vergoeding van de vermogens- en inkomensschade de kant van de VVD en stelden dat overheidshandelen de waarde van grond zowel kon laten stijgen als kon laten dalen: er kan sprake zijn van positieve of van negatieve ontwikkelingsschade door overheidsingrijpen.

Hoewel de eigendom en de grondpolitiek altijd belangrijke politieke en maatschappelijke onderwerpen zijn geweest, is het debat in de praktijk eigenlijk gedomineerd door juristen. Dat juridische debat vond plaats aan universiteiten, op departementen, binnen staatscommissies (de cie. Frederiks en de cie. Van den Bergh) en via de jurisprudentie. De grondpolitiek was erg ingewikkeld en werd liever overgelaten aan juristen. Zij speelden ook een grote rol in het streven naar consensus die op belangenbotsingen tussen eigenaren, boeren en niet-bezitters plaatsvonden. Hoewel juridisering van het debat een bekende strategie is om de politiek hanteerbaar te maken, kwam het strijdpunt van de grondpolitiek in de naoorlogse periode in Nederland twee keer aan de oppervlakte en één keer ontplofte het in politiek. Deze historische cumulatie van crises heeft binnen de PvdA tot een groot trauma geleid. De redenering is dat de niet-linkse meerderheid in het Nederlandse parlement tot drie keer toe progressieve wijzigingen in de grondpolitiek onmogelijk heeft gemaakt.

Het is een bekende stelling dat het kabinet-Den Uyl over de grondpolitiek is gevallen. Ik zal hier de stelling verdedigen dat dit wel de aanleiding was en één van de oorzaken, maar dat er daarnaast nog andere oorzaken voor de breuk in het meest linkse kabinet van Nederland waren.


Grond en politiek
Het getoonde fragment van de val van het kabinet-Den Uyl was op 22 maart 1977. Ik was toen 16 jaar en volgde het nieuws en het debat op tv. Ik heb het destijds waarschijnlijk niet helemaal goed begrepen, maar het was mij wel duidelijk dat er in Den Haag iets spannends aan de gang was. De politieke schroeilucht nam toe, een uitdrukking, die ik later van parlementair journalist Kees van der Malen van NRC Handelsblad oppikte. Het kabinet Den Uyl was de periode waarin mijn politieke socialisatie plaatsvond. Ik begon het nieuws steeds meer te volgen: ik bleef niet alleen op, om naar bokswedstrijden van Muhammed Ali te kijken, maar ik volgende ook politieke debatten die lang konden duren: de gijzelingen in Beilen (1975), het Mentendebat (17 november 1976; 23 februari 1977), de gijzeling in De Punt (1977), de bezetting van de Bloemenhove kliniek (1976) en de Lockheed affaire (1976), om enkele voorbeelden te noemen. Ik bestelde als 16 jarige het rapport van de commissie van Drie over de Lockheed-affaire, waar ik geloof ik destijds ook weinig van begreep. Wel was het mij duidelijk dat het kabinet-Den Uyl een zeer links kabinet was met als motto spreiding van macht, kennis en inkomen. Dat werd door fractievoorzitter Van Thijn (PvdA) in het midden van de kabinetsrit (1975) nog eens fors aangezet met vier maatschappij hervormende voorstellen: de vermogensaanwasdeling (VAD), de Winst Investering Regeling (WIR), de Wet op de ondernemingsraden en de grondpolitiek. Geen van deze vier maatschappij hervormende voorstellen heeft tijdens het kabinet-Den Uyl het Staatsblad gehaald. Mr. Lodewijk de Vries heeft er als ambtenaar dertig jaar aan gewerkt en het niet mogen meemaken dat één van de voorstellen in het Staatsblad terecht kwam. De marges van de democratie waren in de Nederlandse hoog ontwikkelde industriële maatschappij nog smaller dan Den Uyl vermoedde. Ik merk op dat Den Uyl zelf hier niet verbaasd over kan zijn geweest, gezien zijn hoofdstuk “De smalle marges van de democratische politiek”, in de bundel “Inzicht en Uitzicht”. Er is een duidelijk verschil tussen aan de ene kant de analyticus Den Uyl en aan de andere kant de politicus Den Uyl, die werd opgejaagd of zich liet opjagen door zijn fractievoorzitter en zijn politieke partij.

Op 22 maart 1977 was er sprake van een kabinetscrisis. Het progressieve kabinet Den Uyl viel over de grondpolitiek. In de media en van oudere mensen vernam ik destijds dat het niet de eerste keer was dat een links-kabinet door de grondpolitiek in de problemen was gekomen. De grondpolitiek zou tevens een rol hebben gespeeld bij de val van het Vierde kabinet-Drees (1956-1958) en het kabinet Cals-Vondeling (1965-1966). Tijdens mijn studie politicologie aan de Universiteit van Amsterdam kwam ik in de historische en politicologische literatuur tot de ontdekking dat de meeste wetenschappers niet verder kwamen dan de constatering: “Het kabinet Den Uyl is gevallen over de grondpolitiek”. Voor mij was de vraagstelling van mijn proefschrift geboren. Welke rol speelde de grondpolitiek bij de val van drie centrum-linkse kabinetten? Ik vroeg de bekende hoogleraar in de politicologie Hans Daudt aan de UvA of hij mij wilde begeleiden en hij stemde daarin toe. Later trad zijn collega professor Daalder uit Leiden op als copromotor.

Voordat ik mij op het kabinet Den Uyl stort, zal ik kort ingaan op wat ik rond het Vierde kabinet-Drees en het kabinet Cals-Vondeling heb gevonden.

Het vierde kabinet-Drees (1956-1958)
Bij het vierde kabinet Drees draaide de grondpolitiek vooral om de Wet Vervreemding Landbouwgronden. Deze wet was gericht op prijsbeheersing, een landbouwkundige toetsing en het voorkeursrecht voor pachters. Kernpunt was de prijsbeheersing van grond. De wet had een tijdelijk karakter en diende tijdens het vierde kabinet Drees te worden verlengd. De minister van Landbouw en Visserij , Mansholt, vertrok tijdens dit kabinet naar Europa en werd opgevolgd door de landbouwkundige ingenieur A. Vondeling. De ARP maakte bij monde van het kamerlid Biewenga bezwaar tegen de verlenging van de wet en wilde een tijdelijke werking. De permanente werking stond echter in het regeerakkoord. PvdA-fractievoorzitter Burger maakte zich net als minister-president Drees druk over de voortdurende oppositie van de niet-linkse meerderheid tegen het eigen kabinet. Burger zette de fractie en het kabinet onder druk door eisen te stellen op Fakkeldragers dag (22 november 1958) Vondeling en de minister van Justitie Samkalden (oud-hoogleraar Agrarisch Recht) spraken het onaanvaardbaar niet uit tegen het amendement-Biewenga omdat de wet nog altijd een paar jaar verlengd zou worden. Beter iets dan niets. De kabinetscrisis kwam iets later. Bij het voorstel van de minister van Financiën Hofstra kwam er wel een onaanvaardbaar. Hofstra wilde de belastingverhogingen (het was de tijd van de bestedingsbeperking) met nog eens twee jaar verlengen. Het KVP-kamerlid Lucas was tegen en diende een amendement in. Het kabinet viel. De sfeer was volgens Drees door de grondpolitiek al grondig bedorven.

Het kabinet-Cals/Vondeling (1965-1966)
Het kabinet Cals Vondeling viel in de nacht van 13 op 14 oktober tijdens de tweede Nacht van Schmelzer. (3) De kabinetscrisis ging over het financieel-economisch beleid van het kabinet. De spanningen daaromtrent liepen in de zomer van 1966 sterk op. De begroting voor het jaar 1967 toonde een tekort van 700 miljoen. Het kabinet viel omdat Schmelzer een motie indiende die door Cals en Vondeling werd geïnterpreteerd als een motie van wantrouwen. De stelling van Vondeling dat het moord was met voorbedachte rade lijkt echter te sterk uitgedrukt. De spanningen tussen PvdA en niet-linkse meerderheid waren in de coalitie al toegenomen. Dat bleek daarvoor al bij de debatten over de grondpolitiek. Daarbij ging het over de wet speculatiewinstbelasting, de wijziging van de onteigeningswet en de wet voorkeursrecht voor gemeenten. Bij de onteigeningswet ging het om de waarderingsgrond: de gebruikswaarde of de verkeerswaarde. Het kabinet viel nog voordat de wetsvoorstellen van de grondpolitiek werden ingediend. Het werd aan de minister van Justitie Samkalden overgelaten wat hij met de wetsvoorstellen zou doen. Hij diende de wetsvoorstellen alsnog in. Dit was politiek tactisch een sterke en slimme zet, omdat de voorstellen in latere discussies over de grondpolitiek bleven meedraaien.

Het kabinet-Den Uyl en de grondpolitiek
Het strijdpunt van de grondpolitiek kwam terug tijdens het kabinet-Den Uyl. Het was een uiterst moeizame formatie. Via de inbraak van Burger wist men de antirevolutionairen Boersma en De Gaay Fortman van de ARP over te halen om mee te doen. Dit werd de inbraak van Burger genoemd en deze brute formatie heeft men hem in confessionele kring nooit vergeven.(4) De overstap van de ARP’ers werd een zeer gevoelig punt omdat de confessionele partijen juist aan een fusieproces waren begonnen om de electorale neergang van de christelijke partijen te stuiten. Burger mislukte en Van Agt en Albeda maakten de zaak af. Daarbij was het pré-constituerend beraad erg belangrijk. De afspraak over de grondpolitiek luidde dat er gewerkt zou worden aan het voorkeursrecht gemeenten en een wijziging van de onteigeningswet. Het voorstel bij het laatste wetsvoorstel was de gebruikswaarde te introduceren met compensatie voor onbillijkheden.

Het duurde lang voordat de wetsvoorstellen werden ingediend. De interdepartementale samenwerking onder leiding van mr. L. de Vries van Justitie verliep stroef. Er was veel steun voor het voorkeursrecht van gemeenten, maar veel minder voor de wijziging van de Onteigeningswet. Gezien zijn ervaringen uit het verleden leek dit De Vries ook niet haalbaar. Het CDA (de cie-Van Rijckevorsel)en de Wiardi Beckman Stichting waren kritisch over de voorstellen van het kabinet. Maar fractievoorzitter Van Thijn toonde zich in 1975 ongeduldig en formuleerde vier maatschappij hervormende voorstellen, om net als Burger op Fakkeldragers dag, het kabinet en de fracties onder druk te zetten.

Er is veel maatschappelijke discussie en verzet tegen de grondpolitieke voorstellen van het kabinet-Den Uyl, onder andere van de landeigenaren en de boeren via het Landbouwschap. Zeer actief was de hoogleraar De Haan, die lid was van de commissie grondgebruik van het Landbouwschap en zich in de laatste fase van het kabinet zeer actief toonde met het bedenken van compromisvoorstellen.(5) De Haan was ook lid van de ARP, van de commissie Van Rijckevorsel en schreef in feite het amendement De Bekker (KVP), waarover het kabinet struikelde. (6)

Er was veel discussie over de grondpolitiek, vooral achter de schermen. Er was sprake van zeer vele compromisvoorstellen: De Haan I, II en III. “De hanen vlogen over tafel”. Je kon uitgaan van de verkeerswaarde waar dan zaken van werden afgetrokken of uitgaan van de gebruikswaarde, waar zaken bij moesten worden opgeteld. Het ging zowel over de compensatie van de vermogens als de inkomensschade. De compensatie zou beperkt worden tot de inkomensschade (de gecastreerde haan), worden uitgesteld (de diepvrieshaan) en zelfs een combinatie daarvan: de gecastreerde diepvrieshaan.

Den Uyl en Van Agt hebben lange tijd geprobeerd er uit te komen. Maar het eindvoorstel van Den Uyl, de gecastreerde diepvrieshaan was voor Van Agt en Van der Stee niet acceptabel.

Het kabinet viel over de grondpolitiek omdat de rek uit de coalitie was. Een compromis behoorde tot de mogelijkheden, maar er was teveel gebeurd. Het kabinet viel mede vanwege andere oorzaken. Het ideologische punt van de grondpolitiek leende zich echter uitstekend voor een politieke strijd naar de achterbannen toe. Op een abstracte politieke manier kon het verhaal voor de eigen achterban worden verklaard en geduid. Politiek is symbolisch handelen. Er zijn verwijzende en gecondenseerde symbolen in de politiek. Economische berekeningen of juridische formuleringen zijn verwijzende symbolen. Het leidt tot depolitisering waardoor bestuurlijke oplossingen mogelijk zijn. De begrippen eigendom en socialisatie van de grond zijn gecondenseerde symbolen. Het leidt tot emoties en tot mobilisatie in de politiek, waardoor er politisering plaatsvindt en politieke oplossingen lastiger worden.

Hypothesen over de kabinetscrisis 1977
Hypothese 1: de grondpolitiek als sfeerbedervend element. De sfeer in de coalitie en in het kabinet was grondig bedorven. Het is bijna een wetmatigheid dat de politieke partijen van een coalitie, bij het naderen van de verkiezingen, enigszins afstand van elkaar nemen. De grondpolitiek, hoe technisch en juridisch ingewikkeld ook, was op en meer abstract politiek niveau het perfecte strijdpunt voor de politieke partijen om afscheid van elkaar te nemen en de breuk naar de achterbannen toe te legitimeren. Het waren de andere partijen met hun mens en maatschappij beeld die de perfecte maatschappij van de eigen achterban in de weg stonden of juist om zeep wilden brengen. De crisis hoefde niet plaats te vinden, maar het gebeurde wel. Er waren teveel incidenten geweest in de coalitie en Van Agt werd hard aangevallen door links: tijdens het abortus debat, de sluiting van Bloemenhove en het Mentendebat. Met name het tweede Mentendebat had grote gevolgen voor de coalitie. Kosto (PvdA) stelde dat de minister eigenlijk moest aftreden, maar diende geen motie van wantrouwen in. Dat had hij volgens Van Agt wel moeten doen. Van Agt was inmiddels gekozen tot lijsttrekker van het CDA. Boersma en De Gaay Fortman kozen om dat proces niet nogmaals te verstoren deze keer voor het CDA. De PvdA was teleurgesteld dat er zo weinig werd gerealiseerd.


Hypothese 2: Slechte persoonlijke verhoudingen tussen Den Uyl en Van Agt.
De persoonlijke verhoudingen tussen de politieke leiders Van Agt en Den Uyl waren niet optimaal. Nu ikzelf jarenlang heb bestuurd weet ik dat politiek en bestuur dikwijls meer met psychologie tussen personen en groepen te maken heeft dan met structuren of culturen zoals in sociaal wetenschappelijke theorieën dikwijls wordt verondersteld. De gereformeerde Den Uyl kon de bourgondische Van Agt steeds moeilijker verdragen en dat gold nog meer voor mevrouw Den Uyl. Omgekeerd zal Van Agt de verhouding met Den Uyl ook als steeds lastiger hebben ervaren, hoewel zij het persoonlijk lange tijd wel goed konden vinden. Maar zijn bloemrijke taalgebruik en relativerende politieke stijl pasten niet goed bij de altijd serieuze Den Uyl en stond ook haaks op de tijdgeest. Den Uyl als klassieke sociaal-democraat stond onder grote druk van de nieuwe generatie die zich verenigde in Nieuw-Links. Linkse ideeën hadden in de termen van de marxist Gramsci destijds de hegemonie, waardoor Van Agt de context variabele van het leiderschap moest ervaren. Hij stond bekend als een progressief jurist, maar de tijdgeest definieerde hem steeds meer als conservatief. Dat kwam mede door zijn ethisch reveil en zijn verzet tegen abortuspraktijken en de sluiting van de Bloemenhove kliniek waar de linkse vrouwenbeweging zich tegen verzette. Omdat de tijdgeest veranderde (vanaf het kabinet Van Agt Wiegel, maar zeker bij de komst van Lubbers I; de opkomst van het neoliberalisme) werd Den Uyl door iedereen meer als een drammer neergezet en kwam Van Agt in een ander daglicht te staan.

Hypothese 3: Onderhuidse spanningen tussen confessionelen en sociaaldemocraten.
Belangrijker dan de persoonlijke wrijvingen zijn de onderhuidse spanningen tussen confessionelen en sociaal democraten. De sociaaldemocraten komen voort uit het socialisme en kunnen worden beschouwd als één van de dragers van de moderniteit en daarmee ook voor de ontsporingen daarvan. Maar in de beginfase heeft links zich altijd afgezet tegen het geloof en de kerk en waren de progressieven de mening toegedaan dat de confessionele factor met de voortgang van de moderniteit langzamerhand zou verdwijnen. Deze spanning was altijd aanwezig als de PvdA en de confessionele partijen in een regeringscoalitie gingen samenwerken en vertaalde zich in spanningen tussen personen. Het kwam tot uiting in de persoonlijke relatie tussen Den Uyl en Van Agt, later tussen Lubbers en Kok en zeker tussen Balkenende en Bos. Hoewel er gelovigen binnen de doorbraak partij de PvdA zijn geweest is dit altijd een minderheid gebleven. De religieuze factor wordt door progressief links dikwijls niet begrepen. De confessionelen zijn volgens de meeste progressieven een conservatieve kracht. Het onbegrip tussen christenen en progressieven en de stelling dat de religie zal verdwijnen uit de politiek verklaart de onderhuidse spanning. Deze spanning leidt tot wrijvingen en het feit dat centrum linkse coalities geen vertrouwen kennen en Paars als een meer zakelijke samenwerking wordt beschouwd.

Hypothese 4: Van Agt was sterk betrokken bij de vorming van het CDA.
Het naar elkaar toegroeien van de confessionele partijen is door de PvdA als proces zeer onderschat. Het kabinet Den Uyl kwam tot stand in het jaar dat ook het fusieproces tussen de confessionele partijen in gang werd gezet. De onderschatting van de confessionele partijen en later het CDA kan ook worden aangetroffen bij de politieke leiders van Paars, die in 1994 veronderstelden dan het CDA zich niet meer zou herstellen, na het verlies van 20 zetels in 1994. Het aan de macht komen van Balkende was voor hen onvoorstelbaar.


PvdA wint de verkiezingen maar verliest de formatie
Na de kabinetscrisis van 1977 werden de verkiezingen gewonnen door de PvdA: 10 zetels winst. Het kabinet Den Uyl werd electoraal beloond. Met alle politieke ervaring die in de PvdA aanwezig was, ontbrak het echter aan het politiek-psychologische inzicht dat de winnaar van de verkiezingen dikwijls de verliezer is, althans tijdens de onderhandelingen niet het onderste uit de kan moet halen. De winnaar dient zich vanwege het succes royaal op te stellen naar de tegenstander die verloren heeft. De verliezende partij moet iets geboden worden. Dat verzuimde de PvdA, die dronken door de zetelwinst en de tijdgeest, de onderhandelingen op de spits dreef waardoor de winst niet werd verzilverd. Nog altijd hebben aanhangers van de PvdA moeite als de foto van de onderhandelingen van Wiegel en Van Agt in het Haagse Bistroquette wordt getoond. Binnen een week hadden Van Agt en Wiegel een coalitie in elkaar getimmerd. De persoonlijke verhoudingen waren zichtbaar veel beter, en daar doen zij, terwijl de meningen over hun kabinetsbeleid verdeeld zijn, nog altijd kond van. De foto markeert een belangrijke verandering in de Nederlandse politiek. Opvallend was dat de grondpolitiek tijdens de verkiezingen van 1977 amper een rol speelde en dat de grondpolitiek in 1981 werd gepacificeerd. Het was De Haan I: het verkeerswaarde-min stelsel dat goed aansloot bij de jurisprudentie.

Wat is er daarna gebeurd?
Ik kan mij, na die tijd, weinig discussie over de grondpolitiek herinneren. Het trauma van de grondpolitiek bij de PvdA betekende dat de kwestie niet meer werd gepolitiseerd. Dat wil niet zeggen dat er geen ontwikkelingen meer waren, maar die speelden zich meer af in het vooronder van het schip van staat, waar belanghebbenden en experts elkaar ontmoeten, dan op het dek, in het licht van de schijnwerpers. Het vraagstuk van de grondpolitiek werd niet meer gepolitiseerd. Ideologieën tussen de politieke partijen zijn in de loop van de tijd ook vager geworden, waardoor grondpolitiek minder helder geduid kan worden naar de achterban toe. Van ideologisch is de politiek management geworden. (7) De sociaal- economische politiek is opgevolgd door een post materiële politiek. De scheidslijnen zijn aan het veranderen en worden complexer.

Een enkele keer is er nog melding gemaakt van de grondpolitiek.
I. Door de financieel-economische crisis van het eerste decennium van de 21e eeuw kwamen verschillende gemeenten en provincies in de problemen die iets te actief waren geweest in het verwerven van grond. Zij hadden in de economische hoogconjunctuur van de jaren negentig iets te enthousiast grond gekocht. Door grondexploitatie meenden gemeenten geld binnen te halen om vele andere zaken te realiseren. De vraag naar woningen zakte door de economische crisis echter in, de grondprijzen werden lager en projecten werden niet uitgevoerd. Verschillende gemeenten en provincies kwamen daardoor in de financiële problemen en dreigden falliet te gaan.

II. Het is met name het proces van deregulering, administratieve vereenvoudiging en decentralisatie waardoor de grondpolitiek weer iets meer wordt besproken, zonder tot echte politieke ophef te leiden. Dat is bij het opgaan van de Onteigeningswet in de Omgevingswet het geval. Deze operatie wil maar niet politiek worden. De economische crisis leidde tot de Crisis- en Herstelwet en tot de vraag hoe het bestuurlijke proces kan worden versneld. De minister van Infrastructuur en Milieu deed het voorstel de grondpolitiek via een aanpassingswet onder te brengen in de Omgevingswet. Onteigening als instrument en het voorkeursrecht voor gemeenten blijven binnen de Omgevingswet bestaan. Om tot meer snelheid in de besluitvorming te komen is het Kroonbesluit uit de wet gehaald. Onteigening kan nu via de bestuursorganen van de provincies of de gemeenten plaatsvinden. Een kroonbesluit is niet meer nodig. Het beroep en het bezwaar zijn nu geregeld via de afdeling Rechtsspraak van de Raad van State. De civiele rechter is nog wel betrokken bij de schadeloosstelling (de inkomens en vermogensschade) maar van een marginale toetsing van het onteigeningsbesluit is geen sprake meer. Daarvoor in de plaats krijgt elk bestuursorgaan een commissie. Het kleine oppervlakte van Nederland, de toegenomen claims op de ruimte, de vele plannen van provincies en gemeenten hebben er voor gezorgd dat de gemeenten en de provincies faciliterend of actief grondbeleid kunnen voeren. Het weghalen van de marginale toetsing van het onteigeningsbesluit door de civiele rechter betekent zonder meer dat het proces van vermaatschappelijking van de eigendom is voort gekropen. Het privaatrecht wordt steeds meer publiek.

Conclusies

De grondpolitiek heeft in de naoorlogse Nederlandse parlementaire geschiedenis drie keer voor politieke problemen gezorgd. Bij het vierde kabinet Drees en het kabinet Cals Vondeling was het een sfeer bedervend element en één van de oorzaken van de kort daarop volgende kabinetscrisis. Het kabinet Den Uyl is gestruikeld over de grondpolitiek. Dat was niet strikt noodzakelijk omdat de beleidsafstand tussen de confessionele partijen en de PvdA minder groot was dan werd aangenomen omdat het gebruikswaarde-plus en het verkeerswaarde-min stelsel elkaar in de jurisprudentie en door politieke strijd al waren genaderd. Maar de grondpolitiek leende zich ideologisch uitstekend voor de politieke partijen om afscheid van elkaar te nemen en de breuk naar de eigen achterban te legitimeren. Doordat de grondpolitiek drie keer het Staatsblad niet haalde, ontwikkelde de grondpolitiek zich voor de PvdA tot een trauma. Daarom wordt er na 1977 vooral gezwegen over de grondpolitiek. Zelfs als de Onteigeningswet, die belangrijk is voor het functioneren van de markteconomie, opgaat in de Omgevingswet is dit niet voldoende voor een scherp en uitgebreid politiek debat.


Literatuur
Grondbeleid. Omgevingsrecht. Brief van de minister van Infrastructuur en Milieu, Handelingen Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016 (27581/33118).

Noordanus, P. en Beukema, G, (2000), Pleidooi voor een pragmatische grondpolitiek, Socialisme en Democratie, 3.

Nota Grondbeleid, (2001), Op grond van nieuw beleid, Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Ministerie van Financiën

Sluysmans, J.A.M.A. en Gouw, van der, J.J., (2015), Onteigeningsrecht, Mastermonografieën. Staats en Bestuursrecht, Wolters Kluwer, Deventer.

Sluysmans, J.A.M.A. Sluysmans, Procee, J.S., (2016), “Behoeden en vergoeden. Een geschiedenis van 175 jaar Onteigeningswet, Vereniging voor Onteigeningsrecht.

Vries, J. de (1989), Grondpolitiek en kabinetscrises, Den Haag, Vuga.

J. de Vries, (2002), Paars en de Managementstaat, Leuven, Garant.

(1) Voor mijn dissertatie-onderzoek gebruikte ik de 20e druk van de Onteigeningswet in de editie Schuurman en Jordens. De tekst was bewerkt door mr. L. (Lodewijk) de Vries. Hij was hoofd van de afdeling Privaatrecht van het ministerie van Justitie en werkte dertig jaar lang aan wetsvoorstellen op het terrein van de grondpolitiek. De Vries had sympathie voor de PvdA. Hij was voorstander van de Wet Voorkeursrecht gemeenten en toonde zich kritisch over de gebruikswaarde in de Onteigeningswet. Nederlandse staatswetten (1981) Editie Schuurman & Jordens, Onteigeningswet. Vorderingswet 1962, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle.

(2) De term vermaatschappelijking van het recht is afkomstig van de door het marxisme geinspireerde jurist mr. Valkhoff.

(3) De eerste nacht van Schmelzer had betrekking op zijn mislukte poging in 1965 een kabinet te vormen. Hij werd opgevolgd door Cals.

(4) Burger was een hoekige man met boude uitspraken. “Afspraken met confessionelen zijn als scheten in een netje”, is de meest bekende.

(5) Sallaint detail was dat professor De Haan op de Kiplaan in Den Haag woonde.

(6) De strijd over de grondpolitiek lijkt een strijd tussen de PvdA en de KVP. Het is opvallend dat bij de drie crises de ARP een grote rol speelde bij het formuleren van alternatieven, amendementen en moties.

(7) Zie daarover, J. de Vries, Paars en de Managementstaat, 2002.